Het bos door de bomen
Denis Gielen in gesprek met Charlotte Beaudry
Denis Gielen : Terugblikkend op de verschillende onderwerpen die aan bod komen in je schilderijen, kreeg ik een gevoel van onbehagen door die menselijke kreet die erin doorklinkt. Het is niet altijd een luide kreet — soms is het een ingehouden geluid, zoals ook dat hoofd dat in mijn herinnering paars van ingehouden woede is. Het feit dat schilderijen geen klank weergeven, heeft daar natuurlijk ook iets me te maken. Die kreten raken me toch, omdat ze de gezichten verwringen en via de huid van de personages zich een weg zoeken naar het oppervlak van het schilderij, dat daardoor plotseling een gevoel, een emotie belichaamt. Het gaat dus ook over wat de schilderkunst belichaamt…
Charlotte Beaudry : Die uitbeeldingen van kreten zijn een onderdeel van een reeks die gebaseerd is op diverse gemoedstoestanden van een adolescent personage dat als rode draad in deze reeks figureert. Het meisje lijkt de grenzen van de picturale ruimte te ervaren en de kreten drukken haar extraverte ik uit door middel van een uitbundige gebarentaal die verwijst naar de omvang van de ruimte, naar een zich uitstrekken, uitdijen. de kreet behoort evenzeer tot die gebarentaal. De kreet is een poging een ruimte te creëren of ermee te experimenteren door met behulp van de echo te zoeken naar een extra dimensie. Maar de schilderkunst legt zijn beperkingen op : er weerklinkt geen geluid en we nemen de kreet enkel waar via het beeld van het gezicht dat gestold is in de inspanning die het levert. Die beelden van kreten zijn als een contrapunt voor andere gedragspatronen die meer te maken hebben met introspectie, het zichzelf laten verdwijnen, het verbergen van dingen, enz. Ik streef er in dit geval naar om via een schilderij een lichaam uit te beelden dat zelf poogt om zijn lichamelijkheid af te bakenen, zijn eigen grenzen te verkennen. dat wil zeggen dat de inhoud van de kreet strikt genomen van geen belang is : de kreet fungeert enkel als een sonar die de ruimte aftast.
Denis Gielen : Dat lichaam dat zichzelf zoekt in de ruimte is symptomatisch voor de adolescentie : die is een — soms onstuimige, steeds pijnlijke — zoektocht naar een identiteit die geprangd zit tussen twee leeftijden, of zelfs tussen twee geslachten. Bij dat laatste denk ik aan de ‘gemankeerde mannelijkheid’ van je meisjesfiguren. Ik denk ook aan die hand die duidelijk aan een vrouw toebehoort en die een sigaret vasthoudt zoals men een boksbeugel vasthoudt. Je meisjesfiguren lijken overhoop te liggen met een bepaalde vorm van vrouwelijkheid. Ik beweer niet dat ze niet sexy zijn in hun slipje, maar ze zijn het in weerwil van zichzelf. En wanneer je schoonheidskoninginnen uitbeeldt in het zwempak dat ze aanhebben op het podium, dan lijkt het of je hen uitlacht of althans het beeld van vrouwelijkheid dat ze propageren wilt belachelijk maken.
Charlotte Beaudry : Ik wil uiteraard niet veralgemenen, maar het lijkt me mogelijk voor een vrouw om een man helemaal te kennen en zijn reacties te voorzien, maar het omgekeerde is minder waar. De vrouw ademt een zeker mysterie uit, een zekere diepgang. Ze ervaart de tijd en wat voor de mens belangrijk is op een andere manier. Mannen worden misschien wel gefascineerd door die eigenschappen, maar het beeld van de vrouw als seksobject dat door de media gepropageerd wordt, is een belastende en betreurenswaardige mannelijke constructie. Ik merk bovendien dat een dergelijk beeld van de vrouw niet enkel meer opgedrongen wordt aan rijpere of jonge vrouwen, maar zelfs aan adolescentes of echt jonge meisjes. Ik probeer dit beeld te bekampen in sommige van mijn schilderijen door een uitdagende vrouwelijkheid te evoceren (een adolescente die het geslacht van een jongen evoceert door met de wijsvinger tussen haar benen te wijzen), door het beeld van een verkwanselde vrouwelijkheid (de reeks miss Worldlinten), of zelfs met een waarschuwend teken (het overduidelijke ‘fuck off’ van de hand met de sigaret of het mannelijke gebaar van de vrouw die haar geslacht beetpakt door haar jeans heen). In deze context wil ik ook even verwijzen naar het werk van Sarah Lucas dat ik erg bewonder voor de brutale ironie en de sarcastische humor. Behalve van dat provocerende hou ik ook van de gezonde manier waarop ze de dingen omdraait : de idee om de vrouwelijkheid voor te stellen door middel van een dergelijke groteske mannelijke dialectiek is een uitstekende manier om terug te slaan. Mijn benadering is echter minder schokkend en waarschijnlijk ook meer genuanceerd. Ik ben ook geïnteresseerd in de voorstelling van het genot, door bijvoorbeeld de mond als erogene zone te evoceren (een vaag gezicht met alleen een duidelijke mond met twee vingers erin). Ik beeld ook de tastzin uit : een omhelzing die enkel voorgesteld wordt met een arm en een hand ; wie of wat wordt omhelsd, wordt enkel gesuggereerd (in werkelijkheid ging het om een boom).
Denis Gielen : Een ding of een schilderij kan een ander ding of schilderij verbergen. Je gebruikt de schilderskwast evenzeer om dingen te maskeren. de maskers maken bovendien deel uit van je iconografie, net zoals de haren die de gezichten van de eigenaars verbergen…
Charlotte Beaudry : Het reduceren van het uiterlijk, het beperken van de werkelijkheid tot die karakteristieken die men wil tonen, is onvermijdelijk een onderdeel van het picturaal proces. Door details weg te laten zodat enkel een silhouet overblijft, of nog pregnanter, door de keuze van wat binnen en buiten de afbeelding valt, kan je wat afwezig of verborgen is zwaarder laten wegen dan wat getoond wordt. Een gezicht dat verborgen is, kan de ene keer vragen oproepen over dat gezicht en de andere keer integendeel meer de aandacht vestigen op de algemene houding van het lichaam, zonder dat er dus de aantrekkingskracht van de ogen of de gelaatstrekken is. Een voorstelling van iets schilderen leidt onvermijdelijk tot een eindeloos aantal picturale keuzes, inclusief de keuze om het schilderij zelf te tonen of niet. Dat geldt in het bijzonder voor het grote portret van een adolescente die haar gezicht ‘bespuit’ met gele verf. Ik verwijs hier graag even naar de idee vervat in het gezegde ‘door de bomen het bos niet meer zien’. Het gezegde verwijst naar de positie van een schepper van beelden die onvermijdelijk de dingen bekijkt vanuit een zeker perspectief of zelfs vanuit een bevooroordeelde houding ; anderzijds houdt het ook een zekere waarschuwing in tegenover het publiek.
Denis Gielen : Ik heb de indruk dat onder die beelden ook een zeker fetisjisme schuilt, met uiteraard een erotisch tintje. In verband met de mond stel je zelf dat een lichaamsdeel kan verwijzen naar een ander, maar ik denk ook aan wat we in de eerste plaats met het afgebeelde associëren. De voorgestelde objecten zijn verre van onschuldig. Ik denk bijvoorbeeld aan de katapult en de megafoon, die beide de idee evoceren van politieke opstand.
Charlotte Beaudry : Die katapult heb ik gekocht in een reusachtige winkel van wapens in New-Hampshire. Ik werd gefascineerd door het eenvoudige principe dat aan de basis ligt en dat door het ingenieuze design versterkt wordt. Het ding werd verkocht met de nodige munitie : witte marmeren kogels. Ik heb de katapult nooit durven gebruiken, uit angst voor een ongeluk. De kracht ervan is onthutsend. Mijn schilderij van die katapult is vrij neutraal, behalve wat betreft het monumentale formaat (190 x 190 cm). De idee dat zo’n katapult kan gebruikt worden, doet duizelen. Wat zal het doel zijn ? Wat is de context ? Het geweld blijft buiten beeld. Door de combinatie met de (ook heel grote) megafoon, denken we inderdaad aan het beeld van een stadsguerrilla. Het was niet mijn bedoeling zo expliciet te zijn. De beelden fungeren waarschijnlijk als een soort vermaning : deze objecten bestaan en het kan nuttig zijn ze ook te gebruiken. Een beetje zoals die venstertjes met het opschrift ‘bij gevaar, breek het glas’ ons uitnodigen om in dat geval het object beet te nemen dat redding moet brengen. Ik breng het werk niet in verband met een specifieke politieke context. Maar ik beschouw activisme, strijd of revolte wel als hefbomen die vaak noodzakelijk zijn. Door dergelijke objecten te schilderen kan ik op een intense manier vragen opwerpen, zonder die ook te beantwoorden.
Denis Gielen : Ik heb de indruk dat je de ruimte op dezelfde manier behandelt, alsof het een redmiddel is, een plaats waar hulp geboden wordt. Je architectuur ziet er de ene keer nogal wankel uit — niet meer dan een kist of een hutje — maar de andere keer oogt hij even massief als een bunker. Van karton tot beton. Het zijn allemaal ruimtes die in zichzelf besloten zijn, afgesloten van binnenuit…
Charlotte Beaudry : Het zijn geïsoleerde ruimtes, lege schelpen — het zijn net ‘stillevens’. Enkele schilderijen met de titel surveillance werden geïnspireerd door beelden die wat weg hebben van filmbeelden gemaakt met een camera waarmee straten in de stad of eenzame plekken in de gaten worden gehouden. Dat soort beelden lijkt bevroren in een paradox van de tijd : het ogenblik en de tijdsduur vermengen zich. Soms is er in mijn werk ook de idee dat de mensen nog moeten arriveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor het decor dat bestaat uit een stuk van een houten voorgevel die rechtgehouden wordt door twee balken. Het ‘gebouw’ in een letterlijke zin (als iets inerts, als een gewicht) staat hier tegenover het provisorisch onderkomen (hut, hok, kist). Ik evoceer de leefruimte of de architectuur als een soort ongedefinieerde plek. Dat is voor mij een manier om elke suggestie van narrativiteit te weren en de toeschouwer in een positie te manoeuvreren waarin hij of zij enkel de feiten kan constateren. De ‘inplantingsmerken’ (houten merkpaaltjes die aangeven waar de funderingen van een huis moeten komen) zijn in dit opzicht nog meer radicaal : het zijn niets anders dan merktekens in een geluidloze ruimte waarin verder niets kenmerkends is.
Denis Gielen : Ik merk ook op dat de objecten op zich niet altijd alles vertellen : ook het feit dat objecten herhaald worden of dat er een overdaad aanwezig is, heeft betekenis. Net zoals het afzonderlijke object is dus ook de verzameling objecten niet onschuldig. Wanneer je bijvoorbeeld groepen vogels schildert, denk ik aan Hitchcocks beroemde film, waarin het angstaanjagende te maken heeft met aantallen. In zijn droomwoordenboek merkt Gilles Deleuze dan ook terecht op dat een been niet dezelfde betekenis heeft als een ossuarium of een wolf niet dezelfde connotaties als een meute wolven, enz.
Charlotte Beaudry : Met die ideeën van Deleuze heb ik niets te maken. Ik ben niet vertrouwd met zijn werk en dus ook niet met die allusie. A posteriori kan een interpretatie van mijn werk een autonoom gegeven worden, iets wat bestaat naast het werk. Ik vind het echter zelf moeilijk om bewust over mijn werk na te denken of het te rechtvaardigen. Ik maak meestal keuzes op het moment dat de plastische dimensie van het schilderij of het beeld de woorden of de gedachten laat vervagen. Ik mag dan al veel vogels geschilderd hebben, maar die associatie met Hitchcocks film doet me toch perplex staan. De ongrijpbare vitaliteit van de vogels, in de vlucht gestopt in de geste van de penseelstreek, leek me een bijzonder inspirerende paradox. Het absolute tegengestelde van een beweging die gefilmd wordt in haar tijdsduur. Een beeld laten stilstaan biedt mij een onuitputtelijk scala van mogelijkheden. Die mogelijkheden vind ik niet terug in bewegende beelden — maar wel in nog sterkere mate in de schilderkunst : een opeenvolging van gebaren die vastgelegd worden in penseelstreken.
© Denis Gielen
—
This text is a part of the book “Charlotte Beaudry” co-published by MER Paper Kunsthalle vzw (Ghent, B) and STUK Kunstcentrum, (Leuven, B), 2008. ISBN : 9789076979663
More info about Charlotte Beaudry : http://www.charlottebeaudry.net/
More info about the book : http://www.charlottebeaudry.net/book.htm
About the author :
Denis Gielen is a critic, writer and curator at Mac’s (Contemporary Art Museum), Grand Hornu (B).